Home Tekst van de maand Archief Agenda
JOHANNES CASSIANUS



Cassianus wordt rond het jaar 365 geboren in het huidige Roemenië in het grensgebied tussen het Oosterse en het Westerse Romeinse Rijk op het ogenblik dat de afstand tussen het Oosten en het Westen aan het groeien is. Cassianus is echter nog thuis in beide werelden: hij spreekt zowel Grieks als Latijn. Geboren uit een christelijke bemiddelde familie krijgt hij de gelegenheid te studeren.
Op jonge leeftid kiest samen met zijn vriend Germanus voor het monnikenleven Samen trekken zij naar Palestina naar het klooster van Bethlehem waar ze twee jaar verblijven. Ze leren er Abt Pinufius kennen, een Egyptische Vader die zijn eigenklooster was ontvlucht.
Cassianus, die hoort spreken over de monniken in Egypte vraagt aan de overste van het klooster te Bethlehem om een bezoek te moge brengen aan de Egyptische monniken. De overste vreest dat Cassianus niet zal terugkeren en laat hem slechts na aandringen van Cassianus vertrekken onder de belofte om na twee jaar zeker terug te keren.
Cassianus en Germanus bezoeken er verschillende Woestijnvaders en maken er uitgebreid kennis met het leven van de woestijnmonniken. Op aanraden van een grijsaard verbreken ze hun belofte om naar Bethlehem terug te keren en blijven nog tien jaar in Egypte. Cassianus vestigt zich in het gebied van de Cellen (Kellia) en gaat er in de leer bij Evagrius van Pontus en sluit zich aan bij diens kring van aanhangers van de brilliante maar omstreden Alexandrijnse theoloog Origines.
Wanneer de monniken rond Evagrius de bescherming verliezen van bisschop Theofilus van Alexandrië worden ze spoedig uit Egypte verdreven. Cassianus en Germanus verlaten in 399 Egypte en vinden bescherming bij de bisschop van Constantinopel, Johannes Chrysostomos. Germanus wordt er priester gewijd en Cassianus diaken.
Het verblijf in Constantinopel neemt echter spoedig een einde wanneer de sociaal bewogen en vurige Chrysostomos in ongenade valt bij de keizer in 404. Germanus en Cassianus vertrekken naar Rome om er verslag uit te brengen van de gebeurtenissen in Constantinopel. Cassianus onderneemt nog een reis naar Antiochië en wordt er priester gewijd. Terug in Rome sluit hij vriendschap met de latere paus Gregorius de Grote.
Tenslotte belandt Cassianus om onduidelijke redenen in Marseille rond 415 om er twee kloosters te stichten. In die laatste periode van zijn leven schreef Cassianus zijn ervaringen en geestelijke leer die hij ontving van de woestijnvaders neer ondermeer in zijn Collationes te vertalen als conferenties, gesprekken of dialogen.
Cassianus heeft dit werk geschreven om de wijsheid van de woestijnmonniken ook in het Westen bekend te maken hulp voor al wie verlangt naar de zuiverheid van hart, naar een Godsbeschouwing zonder beelden, zonder woorden of gedachten, met heel z’n wezen gericht op God.

We doen hier een poging om de geestelijk leer van Cassianus te schetsen in enkele lijnen. Beter is het zelf de Collationes ter hand te nemen.
Volgens Cassianus is het eerste dat we daarvoor nodig hebben de gave van de discretio of de onderscheiding der geesten die een gave van de H. Geest is.
Die gave stelt ons als het ware in staat in de nacht te kijken, de diepere beweegredenen van ons handelen, ons diepste zelf van waaruit we leven onder ogen te zien en om de bron van onze gedachten te bewaken . Het is een soort geestelijk kompas waarop we ons voortdurend moeten richten om te voorkomen dat onze gedachten afdwalen van ons doel Christus, waardoor we geestelijk ontrouw worden. Deze gave helpt ons te onderkennen of een gedachte afkomstig is van God, van de boze of van onszelf. Ze helpt ons de juiste keuzes te maken en het juiste midden te vinden tussen ongezonde excessen door ons doel steeds voor ogen te houden en er recht naar toe te gaan zonder omwegen. Kortom om een deugdzaam leven te leiden als christen, in volle verantwoordelijke voor onze daden én gedachten.
Dit kan echter niet zonder geestelijke strijd, zonder de hulp van een geestelijk vader aan wie we onze gedachten voorleggen en zonder het gebed. Steeds als we in onze gedachten dreigen af te dwalen kunnen we in onze onmacht tot God bidden met psalm 70 vers 1 : “God kom mij te hulp, Heer haast U mij te helpen”. De vrucht van deze geestelijke strijd en van het volhardend met nederig vertrouwen blijven bidden van dit zelfde vers is het geduld dat leidt de beheersing van zijn gedachten en van zichzelf waardoor men komt tot innerlijke vrede en zuiverheid van het hart. In die geestelijke strijd, in die deugden, kunnen we ons welsiwaar oefenen door broederlijke dienstbaarheid, vasten en nachtwaken, door onthechting aan materiële voldoeningen en door de lectio divina (biddende lezing van de Schrift). Maar die zaken zijn geen doel op zich om mogen ons zeker niet van ons doel afleiden.
In deze strijd worden we ook door het psalmgebed geholpen om die veelheid van gedachten of verstrooiing te overwinnen en om over de vele zorgen en bekommernissen heen te geraken die een belemmering zijn voor het contemplatieve bidden.
Cassianus noemt die zuiverheid van hart ook liefde en niets mag boven de liefde gesteld worden. Die liefde is fijngevoelig, bevreesd om te kwetsen, nederig en straalt warmte uit. Zo maakt de geestelijke strijd ons bekwaam tot zuivere liefde en tot echte contemplatie: het God-schouwen-in-liefde.

Voor enkele fragmenten gelezen op de samenkomst van de Wachters bij de Bron van 4 november 2004:

Johannes Cassianus

Een vrij recente vertaling van de Collationes van A. van de Kar verscheen in twee delen: Gesprekken I-X, Bilthoven, Nelissen, 1968 en Gesprekken XI-XXIV, Brugge, Tabor-Vught, Richt, 1982.

In de reeks Monastieke Cahiers (nr. 26) van de Abdij Bethlehem, Bonheiden verscheen in 1984 een vertaling van Ida Vanbrabant van het andere bekende werk van Cassianus: Instellingen. Leven en streven van monniken.

Een uitvoerige bespreking van leven, werk en invloed van Cassianus van de hand van Owen Chadwick werd in 1985 vertaald door de Abdij Nazareth, Brecht .